Ons immuunsysteem

 

U kunt ziek worden, als uw lichaam aangevallen wordt door diverse soorten ziekteverwekkers. Voorbeelden zijn een virus bij griep, een ziekteverwekkende bacterie bij een maaginfectie, een schimmel bij een voetinfectie of een parasiet. Uw immuunsysteem komt dan in actie om deze lichaamsvreemde ziekteverwekkers uit te schakelen en op te ruimen.
Soms gaat er iets mis. Uw immuunsysteem gaat dan de lichaamseigen ‘goede’ cellen aanvallen, die belangrijk zijn om de lichaamsvreemde ziekteverwekkers uit te schakelen. Bij een afweerreactie van uw immuunsysteem tegen de eigen ‘goede’ lichaamscellen ontstaan terugkerende ontstekingsreacties en is er sprake van een auto-immuunziekte. Reumatoïde artritis (RA), de ziekte van Crohn, systemische lupus erythematodes (SLE) en het syndroom van Sjögren zijn voorbeelden van auto-immuunziekten.

Het immuunsysteem, ook afweersysteem genoemd, is het verdedigingssysteem in uw lichaam dat u moet beschermen tegen verschillende lichaamsvreemde stoffen en cellen, die het lichaam binnendringen. De witte bloedcellen hebben hierbij een grote rol in het afweerproces.

De natuurlijke afweerreactie in uw lichaam vindt plaats in drie opeenvolgende stappen:
• stap 1: het immuunsysteem in uw lichaam herkent de lichaamseigen (genetisch) cellen of de lichaamsvreemde (anti-genetische) cellen en stoffen.
• stap 2: de afweerreactie van uw immuunsysteem tegen de lichaamsvreemde cellen en stoffen wordt gestart.
• stap 3: het immuunsysteem maakt de lichaamsvreemde cellen en stoffen onschadelijk en u wordt weer beter.

Auto-immuunziekten

Uw immuunsysteem bestaat uit een grote groep verschillende cellen en eiwitten. Deze cellen en eiwitten ruimen infecties en overbodige resten van cellen op. Een goed werkend immuunsysteem moet dus infecties en overbodige resten van cellen kunnen herkennen. Als uw immuunsysteem infecties opruimt, dan kunt u ontstekingsverschijnselen zoals koorts, zwellingen, roodheid, pijn of een grieperig gevoel krijgen. Het opruimen van de infecties en lichaamseigen overbodig geworden resten van cellen gebeurt iedere dag, daar merkt u meestal niets van. Maar soms loopt dat proces niet goed. Dan ruimt het immuunsysteem ook de lichaamseigen goed werkende cellen op.

Een auto-immuunziekte ontstaat als er bij het opruimen van de infecties en lichaamseigen resten van cellen iets verkeerd gaat. Het immuunsysteem valt dan de lichaamseigen goed werkende cellen aan en die zijn juist belangrijk voor een goede afweerreactie van uw immuunsysteem in uw lichaam. Door deze verkeerde reactie ontstaan terugkerende ontstekingen in uw lichaam. Auto-immuun betekent dus dat het immuunsysteem zich tegen het lichaam zelf keert.

Veel auto-immuunziektes veroorzaken schade aan verschillende organen zoals bijvoorbeeld de lever, de nier of de longen of aan uw gewrichten, huid of zenuwen. Reumatoïde artritis (RA), de ziekte van Crohn, systemische lupus erythematodes (SLE) en het syndroom van Sjögren zijn voorbeelden van auto-immuunziekten.

Image: ID 56041363 © Designua | Dreamstime.com

Bloed

Bloed dient drie hoofddoelen in ons lichaam. Ten eerste is bloed het transportsysteem van het lichaam. Bloed levert zuurstof en voedingsstoffen af, transporteert hormonen en enzymen en levert afvalproducten af, ​​die moeten worden uitgescheiden. Ten tweede helpt bloed bij het reguleren van onze pH evenals bij het reguleren van de lichaamstemperatuur. Tot slot beschermen de producten in ons bloed ons tegen ziekten en bieden ze ook stollingsmiddelen om het bloeden te stoppen.

De componenten van bloed kunnen in twee categorieën worden ingedeeld.
• Ten eerste bestaat het bloed uit bloedplasma. Bloedplasma is een licht gelige, waterige oplossing die ongeveer 55% van het totale volume van ons bloed uitmaakt. Plasma zelf bestaat voor 91,5% uit water. Het werkt als een oplosmiddel voor belangrijke eiwitten, voedingsstoffen, elektrolyten, gassen en andere substanties die essentieel zijn voor het leven.
• Ten tweede zijn er de vaste deeltjes, de rode bloedcellen, witte bloedcellen en bloedplaatjes. Bloedcellen hebben een beperkte levensduur. Het lichaam breekt de cellen zelf af en vervangt ze door nieuwe cellen. Rode bloedcellen leven ongeveer honderdtwintig dagen, witte bloedcellen ongeveer twee dagen en bloedplaatjes ongeveer tien dagen.

Image: ID 102580230 © Designua | Dreamstime.com
Image: ID 65873012 © Puwadol Jaturawutthichai | Dreamstime.com

Bloedplasma

Uw bloed bestaat uit ongeveer 55% uit bloedplasma (serum). Het bloedplasma bestaat uit water, eiwitten (albuminen, globulinen, fibrinogeen en enzymen), elektrolyten, voedingsstoffen, afvalstoffen en hormonen. De eiwitten (proteïnes) beschermen het lichaam tegen infectieziekten door zich te hechten aan binnengedrongen virussen en bacteriën en ze zo onschadelijk te maken.

Eiwitten (proteïnes)
Eiwitten spelen een sleutelrol in bijna alle biologische processen. De eiwitten (proteïnes) hebben verschillende functies. Eiwitten zijn de werkers van alle cellen in uw lichaam. Eiwitten bestaan voor het grootste deel uit aminozuren. In een cel worden een reeks van aminozuren aan elkaar vastgemaakt, zodat er een lange ketting ontstaat. Die ketting wordt daarna per eiwit heel specifiek opgevouwen en opgepropt. In de cel worden er misschien stukjes van de ketting weer vanaf geknipt, andere stukjes van andere eiwitten aan geplakt en misschien ook nog wel wat suikers aan vastgeplakt. Vervolgens kan het eiwit verstuurd worden om het werk buiten de cel te gaan doen. Als het eiwit op de plaats van bestemming in het lichaam is aangekomen, wordt het uitgepakt om daar het werk te doen. De werking van het eiwit hangt af van de soorten aminozuren, waaruit het eiwit opgebouwd is en hoe het eiwit is opgevouwen.

Aminozuren
Aminozuren zijn de bouwstenen van de eiwitten. Omdat een groot deel van onze cellen, spieren en weefsel uit aminozuren bestaat, vervullen de aminozuren veel belangrijke functies in ons lichaam. Aminozuren geven de cellen niet alleen hun structuur, maar zijn ook voor het vervoer en de opslag van alle stoffen in het lichaam onmisbaar. Aminozuren beïnvloeden de functies van organen, klieren, pezen of aders. Zij zijn essentieel bij wondgenezing en herstel van weefsel (vooral bij spieren, botten, huid en haren) en bij het tegengaan van de negatieve gevolgen in verband met stofwisselingsstoornissen.
Het eiwit albumine bijvoorbeeld heeft een water aanzuigende functie, waardoor het water in de bloedvaten blijft en niet weglekt naar de weefsels. Andere eiwitten vervullen samen met de bloedplaatjes een belangrijke rol binnen het bloedstollingsproces. Het natuurlijke bloedstollingsproces begint meestal met de beschadiging van een bloedplaatje (trombocyt) door een wond of ‘kalk-aanslag’ (atherosclerotische plaque) op de binnenwand van een bloedvat. Er komen dan uit het beschadigde bloedplaatje stoffen vrij die het bloedstollingsproces in gang zetten. Daardoor gaat bij een uitwendige of inwendige bloeding zo weinig mogelijk bloed verloren.

Visuele uitleg What is a protein?
RCSBProteinDataBank. Proteins play countless roles throughout the biological world, from catalyzing chemical reactions to building the structures of all living things. Despite this wide range of functions all proteins are made out of the same twenty amino acids, but combined in different ways. The way these twenty amino acids are arranged dictates the folding of the protein into its unique final shape. Since protein function is based on the ability to recognize and bind to specific molecules, having the correct shape is critical for proteins to do their jobs correctly.
https://youtu.be/qBRFIMcxZNM

Bloedcellen

Het bloed bestaat voor ongeveer 45% uit bloedcellen. Alle bloedcellen en bloedplaatjes worden aangemaakt in het rode beenmerg. De witte bloedcellen worden ook aangemaakt in de milt. Ons bloed kent drie soorten bloedcellen: de rode bloedcellen, witte bloedcellen en bloedplaatjes.

rode bloedcellen (de erytrocyten): deze cellen binden zuurstof aan de rode bloedkleurstof (de hemoglobine) die ze bevatten en zorgen zo voor het zuurstoftransport door het lichaam. In hemoglobine bindt één eiwit aan zuurstof, terwijl een ander koolstofdioxide bindt. Zo kan een eiwit twee functies dienen. In de organen en weefsels wordt de zuurstof afgegeven en geruild voor koolstofdioxide. De koolstofdioxide is een afvalproduct van de cellen in de weefsels en organen. De rode bloedcellen vervoeren de koolstofdioxide terug naar de longen. Als u uitademt, verlaat de kooldioxide het lichaam weer. Rode bloedcellen worden steeds opnieuw aangemaakt in het beenmerg door deling van bepaalde beenmerg-stamcellen (de erytroblasten).

witte bloedcellen (de leukocyten): deze cellen zijn nauw betrokken bij de afweerreacties van uw lichaam tegen infecties met bijvoorbeeld bacteriën, virussen en schimmels. De cellen zijn groter dan rode bloedcellen en samen hebben de witte bloedcellen twee belangrijke functies:
1. het verdedigen van het lichaam tegen infecties met lichaamsvreemde stoffen en bijvoorbeeld bacteriën, virussen, parasieten, schimmels en gisten. Bij een infectie zijn er ook meer witte bloedcellen in ons lichaam aanwezig.
2. het opruimen van de resten van cellen en schadelijke stoffen in het lichaam.

bloedplaatjes (de trombocyten): deze bloedcellen brengen na een beschadiging de bloedstolling op gang zodat de bloeding stopt. Het bloedplaatje is de kleinste cel in het bloed. Ze helpen bij de genezing van wonden door er voor te zorgen dat het bloeden stopt en er een korst op de wond ontstaat.

Aangeboren immuniteit

We zijn allemaal geboren met een zekere mate van immuniteit tegen indringers. Deze eerste verdedigingslinie is vanaf de geboorte aanwezig. Deze aangeboren immuniteit omvat de externe barrières van ons lichaam, de eerste lijn van verdediging tegen pathogenen, zoals de huid, slijmvliezen van de keel, de darm, speeksel en maagzuur.
• De huid is de grens tussen binnenkant en buitenkant van uw lichaam en zorgt ervoor dat schadelijke stoffen en cellen niet zomaar uw lichaam binnenkomen.
• De slijmvliezen in luchtwegen en darmen zijn ook een barrière. Het slijmvlies in de luchtwegen vangt de bacteriën op en vervoert ze naar de keelholte. Daar komen de bacteriën vervolgens in aanraking met stoffen die de bacteriën doden, voordat ze schade kunnen toebrengen.
• Het speeksel en het maagzuur zorgen ervoor dat er veel bacteriën dood gaan, voordat ze uw lichaam ziek kunnen maken.

Als het pathogeen erin slaagt het aangeboren immuunsysteem te ontwijken, wordt de adaptieve of verworven immuniteit geactiveerd.

Passieve immuniteit

Dit type immuniteit wordt “geleend” van een andere bron, maar het duurt niet oneindig lang. Deze eerste verdedigingslinie is aanwezig vanaf de geboorte. Het richt zich niet specifiek op één pathogeen, maar op alle pathogenen (antigenen) die in het lichaam kunnen voorkomen. Een baby krijgt bijvoorbeeld antilichamen van de moeder via de placenta vóór de geboorte en in de moedermelk na de geboorte. Deze passieve immuniteit beschermt de baby tegen sommige infecties tijdens de eerste jaren van zijn leven.

Witte bloedcellen
De witte bloedcellen (leukocyten) vormen een snelle verdedigingslinie, die geen onderscheid maakt tussen de soorten indringers.
• de monocyten nemen de afvalproducten van de immuunrespons op en maken ze onschadelijk (fagocytose). Monocyten komen ook voor in de weefsels en worden dan histiocyten genoemd.
• de fagocyten: de microfaag (kleine) of macrofaag (grote) immuuncellen. Macrofagen komen voor in alle lichaamsweefsels en vormen samen met de microfages als het ware de vuilnisvoorziening van ons lichaam. Ze nemen lichaamsvreemde afvalstoffen (allergenen, beschadigde en dode cellen, bacteriën, afvalstoffen en virussen enzovoorts) in zich op en maken die onschadelijk.
• de granulocyten (de neutrofiele en eosinofiele) absorberen stoffen, maar bevatten daarnaast ook granula (korreltjes in het cytoplasma) die enzymen vrijlaten. Die enzymen helpen bij het doden en verteren van stoffen.
De eosinofiele granulocyten reguleren de binding tussen antilichamen en allergenen.
De neutrofiele granulocyten ruimen na een allergische of ontstekingsreactie de afvalstoffen op (fagocytose) net als de macrofagen.
De basofiele granulocyten bevatten histamine en andere weefsel-actieve stoffen, die vrijkomen wanneer de basofiele granulocyt reageert met stoffen die allergische reactie veroorzaken. Stoffen die een allergische reactie veroorzaken worden allergenen genoemd. Allergenen zijn bijna altijd eiwitten. De antistoffen die het lichaam bij het eerste contact met een allergeen aanmaakt, zijn bij allergische mensen vooral zogenoemde IgE antistoffen. Deze reageren met het allergeen.
• de natural-killer-cellen kunnen andere cellen direct vernietigen.

Adaptieve (verworven) immuniteit

Adaptieve (verworven) immuniteit tegen pathogenen ontwikkelt zich als we door het leven gaan. Omdat we worden blootgesteld aan ziekten of gevaccineerd worden, bouwen we een verzameling van antilichamen tegen verschillende pathogenen op. Het immuunsysteem is in staat om specifiek een onbeperkt aantal verschillende pathogenen en cellen te herkennen die het lichaam binnenkomen. Het immuunsysteem kan ziekteverwekkers ‘onthouden‘ zodra het ermee in contact is geweest. Wanneer uw lichaam opnieuw is geïnfecteerd met hetzelfde pathogeen, weet het immuunsysteem van het lichaam de infectie sneller te onderdrukken. U bent dan immuun voor deze ziekteverwekker. Dit wordt soms ons immunologisch geheugen genoemd omdat ons immuunsysteem zich eerdere vijanden herinnert.

De herkenningstaak (immunologisch geheugen) wordt uitgevoerd door de afweercellen: witte bloedcellen (lymfocyten) en antistoffen (eiwitten).
De witte bloedcellen en antistoffen ‘reizen’ door ons lichaam en vernietigen alle ziekteverwekkers en lichaamsvreemde stoffen die ze tegenkomen. Deze afweercellen zijn in staat specifiek de lichaamsvreemde stof of cel te herkennen. Het immuunsysteem kan dus onthouden met welke vreemde ziekteverwekkers of cellen het eerder in contact is geweest. Bij een hernieuwd contact met de lichaamsvreemde stof of cel zal de reactie dan sneller en heviger zijn. Dit is ook het principe achter immunisatie en vaccinatie.

De bekendste antistoffen bij reuma zijn anti-CCP-antistoffen en de reumafactor.
Patiënten met de ziekte reumatoïde artritis vormen het eiwit CCP. In reactie hierop vormt het lichaam antistoffen tegen dit eiwit: de anti-CCP-antistoffen. Deze antistoffen worden gemeten als hulpmiddel bij het stellen van de diagnose reumatoïde artritis (RA). Om RA vast te stellen kan naast anti-CCP ook de reumafactor (RF) gemeten worden. Belangrijk is dat anti-CCP antistoffen in een eerder stadium van de ziekte aantoonbaar zijn dan de RF. Zelfs als de klachten nog onduidelijk zijn, dan kan de anti-CCP test extra informatie geven.
De reumafactor is een antistof in het bloed, die vaak voorkomt bij mensen met een chronische ontstekingsreuma (inflammatoire artritis). De reumafactor (RF) is een auto-antistof, een immunoglobuline M (IgM)-eiwit dat wordt geproduceerd door het immuunsysteem van het lichaam. Auto-antistoffen tasten de eigen weefsels van uw lichaam aan, waarbij het weefsel ten onrechte als “vreemd” wordt geïdentificeerd. Hoewel de biologische rol van RF niet goed wordt begrepen, is de aanwezigheid ervan nuttig als een indicator voor ontstekings- en auto-immuunactiviteit. Een test detecteert en meet RF in het bloed en kan, samen met andere tests, worden gebruikt om te helpen bij de diagnose van bijvoorbeeld reumatoïde artritis (RA).

Immuunreactie

Het immuunsysteem moet ‘eigen’ kunnen scheiden van ‘vreemd’. Het doet dit door eiwitten te detecteren die zich op het oppervlak van cellen bevinden. Een antigeen is elke stof die een immuunreactie kan veroorzaken. In veel gevallen is een antigeen een bacterie, een schimmel, een virus, een toxine of een ander vreemd lichaam. Maar het kunnen ook de overblijfselen van een van onze eigen cellen zijn die defect of dood zijn. Een reeks celtypen werkt samen om het antigeen als een indringer te herkennen.

Witte bloedcellen of leukocyten
Witte bloedcellen of leukocyten hebben geen vaste vorm en kunnen van elkaar worden onderscheiden door de vorm van de kernen of de korrels in het cytoplasma. Witte bloedcellen circuleren in het lichaam in bloedvaten en de lymfevaten die parallel lopen aan de aders en slagaders. Ze zijn constant op patrouille en kijken uit naar ziekteverwekkers. Wanneer ze een doelwit vinden, beginnen de witte bloedcellen zich te vermenigvuldigen en sturen ze signalen uit naar andere celtypen om hetzelfde te doen.

Witte bloedcellen worden opgeslagen in lymfoïde organen. Deze omvatten de volgende:
• de thymus, een klier tussen de longen en net onder de nek.
• de milt, een orgaan dat het bloed filtert. Het zit in de linkerbovenhoek van de buik.
• het beenmerg, te vinden in het midden van de botten en het produceert ook rode bloedcellen.
• de lymfeklieren, kleine klieren door het hele lichaam, verbonden door lymfevaten.

Er zijn twee hoofdtypen van witte bloedcellen of leukocyten:
Fagocyten. Deze cellen omringen en absorberen ziekteverwekkers en breken ze af. Ten eerste moet de witte bloedcel de indringer herkennen en beseffen dat deze moet worden vernietigd. De fagocyt herkent signaalmoleculen die vrijkomen door de bacterie en wordt er naar toe getrokken. De witte bloedcel moet dan zijn membraan aan het membraan van de bacterie hechten. Dat gebeurt door het gebruik van moleculen die oppervlakte-receptoren worden genoemd. Dit zijn moleculen die zijn ingebed in het membraan van de witte bloedcellen en die zijn ontworpen om moleculen in het membraan van de bacterie te detecteren en eraan te hechten. De twee celmembranen verbinden zich en plakken aan elkaar. Als ze eenmaal aan elkaar gehecht zijn, zwelt het membraan van de witte bloedcel naar buiten rond de bacterie en omspant het. Het membraan dat de bacterie omhult, knijpt en het resultaat is een klein zakje, fagosoom genaamd, dat de bacterie in de witte bloedcel bevat. Met de bacterie veilig opgesloten in de witte bloedcel kan deze nu worden vernietigd. De witte bloedcel brengt spijsverteringsenzymen in het fagosoom samen. Deze enzymen breken de bacterie af en de resulterende onschadelijke deeltjes kunnen door de cel worden gebruikt of uit de cel worden verwijderd. Er zijn verschillende typen, waaronder:
Neutrofielen, dit zijn witte bloedcellen die een zeer belangrijke rol spelen in ons aangeboren immuunsysteem. Ze circuleren in ons lichaam in de bloedbaan en wanneer ze signalen opvangen dat er een infectie aanwezig is, zijn ze de eerste cellen die zich naar de plaats van de infectie spoeden om de binnenkomende microben te doden.
Monocyten zijn witte bloedcellen die bacteriën, virussen en schimmels bestrijden. Monocyten zijn het grootste type witte bloedcellen in het immuunsysteem. Als ze gevormd zijn in het beenmerg, dan worden ze vrijgegeven in ons bloed en weefsels. Wanneer bepaalde ziektekiemen het lichaam binnenkomen, snellen ze snel naar de plek van de ziektekiemen toe voor een aanval. Monocyten hebben het vermogen om in een andere celvorm, macrofagen genaamd, te veranderen voordat ze de ziektekiemen onschadelijk maken. Ze kunnen schadelijke bacteriën, schimmels en virussen onschadelijk maken. Vervolgens breken enzymen in het lichaam van de monocyt de ziektekiemen af in stukjes.
Macrofagen patrouilleren in het lichaam op zoek naar ziekteverwekkers en verwijderen ook dode en stervende cellen. Een macrofaag is een grote witte bloedcel die een belangrijk onderdeel is van ons immuunsysteem. Het woord ‘macrofaag’ betekent letterlijk ‘grote eter’. Het is een amoebe-achtig organisme en het is zijn taak om ons lichaam van cel brokstukjes en indringers schoon te maken. Een macrofaag heeft de mogelijkheid om deeltjes te lokaliseren en op te ‘eten’, zoals bacteriën, virussen, schimmels en parasieten. Macrofagen ontstaan uit witte bloedcellen, monocyten genaamd, die worden geproduceerd door stamcellen in ons beenmerg. Monocyten bewegen door de bloedbaan en wanneer ze het bloed verlaten, rijpen ze tot macrofagen. Ze leven maandenlang, patrouilleren onze cellen en organen en houden ze schoon.
Mestcellen zijn betrokken bij ontstekingsreacties zoals overgevoeligheid en allergische reacties. Ze zijn verspreid door de bindweefsels van het lichaam, vooral onder het oppervlak van de huid, in de buurt van bloedvaten en lymfevaten, in zenuwen, in het ademhalingssysteem en in de spijsverterings- en urinewegen. Mastcellen slaan een aantal verschillende chemische mediatoren op in korrels in het cytoplasma van de cel. Na activatie door een allergeen laten de mestcellen de inhoud van hun korrels vrij in de omliggende weefsels. De chemische mediatoren produceren lokaal reacties die kenmerkend zijn voor een allergische reactie, zoals verhoogde doorlaatbaarheid van bloedvaten, samentrekking van gladde spieren en verhoogde slijmproductie.

Lymfocyten. Lymfocyten helpen het lichaam om zich eerdere indringers te herinneren en ze te herkennen als ze terugkomen om opnieuw het lichaam aan te vallen. Op het celmembraan van lymfocyten zitten receptoren (ontvangers van prikkels) die passen op een specifiek eiwit, het antigeen, op de buitenkant van een ziekteverwekker. Hierdoor kan een lymfocyt een ziekteverwekker herkennen en bij een ‘ontmoeting’ snel en krachtig reageren. Iedere lymfocyt heeft maar één soort receptor op zijn celmembraan waardoor de lymfocyt alleen in actie komt als het antigeen van een ziekteverwekker past op deze receptor. Anders gebeurt er niets. Lymfocyten kunnen jaren en soms zelfs tientallen jaren leven.
Lymfocyten beginnen hun leven in het beenmerg. Sommige blijven in het beenmerg en ontwikkelen zich tot B-lymfocyten (B-cellen), andere gaan naar de thymus en worden T-lymfocyten (T-cellen).
De lymfocyten bestaan uit B-cellen, T-cellen en natural-killer-cellen. De B-cellen en T-cellen hebben verschillende rollen:
B-lymfocyten produceren antilichamen en helpen de T-lymfocyten te alarmeren. De B-cellen (lymfocyten) zijn witte bloedcellen (de leukocyten) met receptoren om antigenen te binden. Ze worden gevormd in het beenmerg en worden aangemaakt door bepaalde cellen (de lymfoblasten) in het beenmerg. Na groei in plasmacellen produceren ze antilichamen (de immunoglobulinen) tegen vreemde stoffen zoals bacteriën, virussen en allergenen. Elke B-cel maakt één specifiek antilichaam. Antilichamen zijn speciale eiwitten die zich vastzetten op specifieke antigenen (“antilichaamsgeneratoren”). Antistoffen houden zich vast aan het antigeen, maar ze doden het niet, maar markeren het alleen voor dood. Het doden is het werk van andere cellen, zoals fagocyten. Antilichamen maken deel uit van een grote familie van immunoglobulinen, die vele rollen spelen in de immuunrespons. Deze antilichamen beschermen het lichaam door andere immuuncellen te helpen de antigenen te zuiveren door toxische stoffen te inactiveren en door bacteriën en virussen direct aan te vallen. De antilichamen (immunoglobulinen) zijn stoffen die het immuunsysteem van het lichaam produceert na contact met vreemde stoffen, waaronder bacteriën, virussen en allergenen. Immunoglobulines: IgG markeert microben zodat andere cellen deze kunnen herkennen en onschadelijk maken; IgM is een expert in het doden van bacteriën; IgA komt samen in vloeistoffen, zoals tranen en speeksel, waar het de toegangen beschermt tot het lichaam; IgE beschermt tegen parasieten en is ook verantwoordelijk voor allergieën; en IgD blijft verbonden aan B-lymfocyten, waardoor ze de immuunrespons kunnen starten.
T-lymfocyten vernietigen gecompromitteerde cellen in het lichaam en helpen andere leukocyten te alarmeren. De T-cellen (lymfocyten) zijn witte bloedcellen (leucocyten), die zorgen voor de cellulaire afweerreactie. Ze kunnen onderscheid maken tussen ‘lichaamseigen’ en ‘lichaamsvreemd’ (de cellulaire immuniteit). De T-cellen worden in de thymus (zwezerik) gemaakt en leren daar de lichaamseigen stoffen van de lichaamsvreemde stoffen te onderscheiden. T-lymfocyten spelen bijvoorbeeld een belangrijke rol bij de afweerfunctie van de B-cellen (rijping van B-cellen tot plasmacellen) en de antistoffen (reactie tussen lichaamsvreemde stoffen en antistoffen). T-cellen zijn aanwezig in de milt, het beenmerg en de lymfeklieren. Er zijn verschillende T-lymfocyten: cytotoxische T-cellen (aanvallende en vernietigende rol bij geïnfecteerde of abnormale cellen, virussen), T-helpercellen (coördineren de immuunrespons, trekken meer T-cellen of  fagocyten aan en helpen de B-lymfocyten in herkenning en productie van antilichamen) en T-suppressorcellen (helpen om de verlengde immuunrespons te beëindigen).
Natural Killer-cellen zijn de meest agressieve witte cellen in het immuunsysteem. Ze vormen ongeveer 5% tot 15% van de totale hoeveelheid lymfocyten in het lichaam. Ze herkennen cellen waaraan bepaalde antilichamen (de immunoglobulinen) zijn gebonden. Na herkenning maken ze deze cellen onschadelijk door antilichamen af ​​te scheiden (cytokinen). Ze richten zich op tumorcellen en beschermen tegen een breed scala aan infectieuze microben.

Complementsysteem en cytokinen

Het complementsysteem bestaat uit eiwitten (proteïnes) in het aangeboren immuunsysteem die pathogenen direct doden of die fagocyten helpen een ziekteverwekker te herkennen en te doden. Het is een verzameling van bloed- en cel oppervlakte-eiwitten met een belangrijke primaire afweer en een klaringscomponent van aangeboren en adaptieve immuunreacties. De eiwitten helpen ons immuunsysteem om veel sneller een indringer te herkennen of te doden dan wanneer ze er helemaal niet waren geweest. Het complementsysteem bestaat uit een keten van meer dan dertig eiwitten die een kettingreactie induceren (het ene eiwit activeert het andere). De complement-eiwitten zijn direct of indirect betrokken bij de natuurlijke verdediging van het lichaam. Ze leiden immuuncellen naar de plek van de infectie in uw lichaam, kunnen bacteriën direct doden of helpen pathogenen te vernietigen door zich eraan te binden, zodat andere immuuncellen ze kunnen herkennen.

Cytokinen. Uw lichaam bestaat uit biljoenen cellen. Deze cellen zijn de basiseenheden van het leven; ze voeren alle vitale functies uit die u in leven houden. Maar weet u dat uw cellen een zeer actief sociaal leven leiden? Neem bijvoorbeeld de cellen van uw immuunsysteem. Deze cellen zenden constant signalen uit om andere cellen te laten weten wat er aan de hand is. Uw immuuncellen gebruiken cytokines, een groep eiwitten die wordt uitgescheiden door cellen van het immuunsysteem om te communiceren en te handelen als chemische boodschappers. Cytokines die uit één cel vrijkomen, beïnvloeden de werking van andere cellen door zich te binden aan receptoren op hun oppervlak. U kunt deze receptoren als brievenbussen beschouwen. Ze ontvangen het chemische bericht van de cytokine en vervolgens voert de ontvangende cel activiteiten uit op basis van dat bericht.
Er zijn verschillende soorten cytokinen, waaronder chemokinen, interferonen, interleukines, lymfokinen en de tumor necrose factor. Ze kunnen alleen handelen, samenwerken of tegen elkaar werken, maar uiteindelijk is de rol van cytokines het helpen reguleren van de immuunrespons. Cytokinen worden in het hele lichaam geproduceerd door cellen van verschillende embryologische oorsprong. Cytokine is een algemene naam, cytokinen gemaakt door lymfocyten worden bijvoorbeeld lymfokinen genoemd. Veel van de lymfokinen zijn ook bekend als interleukines (IL’s), omdat ze niet alleen worden afgescheiden door leukocyten maar ook in staat zijn om de cellulaire reacties van leukocyten te beïnvloeden. Cytokines afgescheiden door monocyten of macrofagen worden monokinen genoemd. Cytokinen die chemokinen worden genoemd, zijn cytokinen met chemotactische activiteiten.
Cytokines zijn betrokken bij vele aspecten van ontsteking en immuniteit. In feite kunt u de verschillende cytokines de schuld geven van het veroorzaken van enkele bekende symptomen die optreden wanneer uw lichaam een ​​infectie bestrijdt, zoals koorts, ontsteking en pijn. Ze sturen afweercellen naar de plaats van infectie. De cytokinen zijn eiwitten en peptiden die een signaalfunctie vervullen, die de immuniteit en ontsteking bemiddelen en reguleren en die betrokken zijn bij de vorming van bloedcellen. Ze zijn de boodschappers van het immuunsysteem en worden vrijgegeven door witte bloedcellen en andere cellen in het immuunsysteem.

Aandoeningen aan het immuunsysteem

Omdat het immuunsysteem zo complex is, zijn er veel mogelijke manieren waarop het mis kan gaan. Soorten immuunziekten vallen in drie categorieën:

Immunodeficiëncies
Immunodeficiënties komen voor wanneer delen van het immuunsysteem niet (goed) werken. Ze kunnen op verschillende manieren worden veroorzaakt, zoals door ouder worden, obesitas, alcoholisme en ondervoeding. Naarmate je ouder wordt, vermindert de effectiviteit van je immuunsysteem. Macrofagen vernietigen pathogens lichaamsvreemde stoffen langzamer, T-lymfocyten reageren minder snel op antigenen en minder lymfocyten zijn beschikbaar voor nieuwe antigenen naarmate je ouder wordt. Een ouder lichaam is minder goed in staat om te reageren op een nieuwe ziekteverwekker. De hoeveelheid complementeiwitten is ook lager bij ouderen. Bovendien produceert een ouder lichaam minder antilichamen in reactie op een antigeen en zijn de antilichamen ook minder in staat om aan een antigeen te binden. Een voorbeeld van een verworven immunodeficiëntie is aids. In sommige gevallen kunnen immuundeficiënties worden overgeërfd, bijvoorbeeld bij chronische granulomateuze ziekte, waar fagocyten niet goed functioneren.

Auto-immuniteit
Uw immuunsysteem kan de lichaamseigen gezonde cellen gaan aanvallen en vernietigen. Als dit gebeurt, heeft u een auto-immuunziekte.
Immunosuppressieve geneesmiddelen zijn geneesmiddelen die de kracht van het immuunsysteem van het lichaam onderdrukken of verminderen. Sommige van deze geneesmiddelen worden vaak gebruikt voor de behandeling van auto-immuunziekten zoals lupus erythematosus, psoriasis en reumatoïde artritis (RA). Met een auto-immuunziekte valt het immuunsysteem het eigen weefsel van het lichaam aan. Omdat immunosuppressieve geneesmiddelen het immuunsysteem verzwakken, onderdrukken ze deze reactie. Dit helpt de impact van de auto-immuunziekte op het lichaam te verminderen. Reumatoïde artritis (RA), de ziekte van Crohn, psoriasis, systemische lupus erythematodes (SLE) en het syndroom van Sjögren zijn voorbeelden van auto-immuunziekten.

Allergische reactie (overgevoeligheid)
Met een allergische reactie (overgevoeligheid) reageert het immuunsysteem overdreven op een manier die gezond weefsel beschadigt. Een voorbeeld is een anafylactische shock waarbij het lichaam zo sterk op een allergeen reageert, dat het levensbedreigend kan zijn.

Ziekteverwekkers

Virus
Een viruscel bestaat uit een membraam en erfelijk materiaal (RNA) dat omhuld is door een laagje eiwit (eiwitmantel). Een virus kan zich in een lichaamscel zeer snel in aantal vermeerderen. De lichaamscel gaat dan kapot en de nieuwe virussen uit die lichaamscel verspreiden zich verder door uw lichaam en kunnen weer nieuwe lichaamscellen ziek maken. Een virus wordt soms als een soort versimpelde bacterie gezien, maar een belangrijk verschil is, dat een virus zich niet zonder gastheercel kan voortplanten. Een virus kan bijvoorbeeld een neusverkoudheid of een griep veroorzaken.

Bacterie
De celwand beschermt de bacterie. Binnen het celmembraan, een dun vlies, vinden we het cytoplasma, een stroopachtige basissubstantie, bestaande voor meer dan 60% uit water. Een bacteriecel heeft geen celkern, maar bevat één enkel chromosoom.
Een bacterie is een eencellig organisme en deelt zich gewoon razendsnel in tweeën. Van één bacterie kunnen er na een halve dag al miljoenen zijn.
Bacteriën zitten in en op uw lichaam, in en op voedingsmiddelen, in de grond, in het water en in de lucht. In uw lichaam maken de goede bacteriën vitaminen, bijvoorbeeld vitamine k, in de dikke darm; helpen bacteriën in de dikke darm (darmflora) mee bij het verteren van voedsel; en beschermen ze onze huid. Maar bacteriën kunnen ook ziekteverwekkers zijn. Deze schadelijke bacteriën veroorzaken infectieziekten en kunnen maag- en darmklachten veroorzaken. Voorbeelden zijn Salmonella, Clostridia, Listeria, Legionella en Campylobacter.

Schimmels
Schimmels kunnen één cel groot zijn. Maar er zijn ook schimmels, zoals paddenstoelen, die uit heel veel cellen bestaan. Schimmels hebben wel celkernen. Voetschimmel kan huidinfecties veroorzaken.

Parasiet
Bepaalde klachten kunnen worden veroorzaakt door bacteriën en virussen maar ook door een infectie waarbij een infectie met een parasiet de oorzaak is. Een parasiet is een organisme dat zich ten koste van een ander levend organisme (de gastheer) in leven houdt en voortplant. De parasiet leeft in of op de gastheer, dit kan tijdelijk zijn maar ook voor altijd. Een voorbeeld is een lintworm in de darmen. Er zijn twee soorten parasieten:
ectoparasieten: ze leven in of op de huid, voorbeelden zijn mijten, luizen en vlooien.
endoparasieten: leven in de gastheer, voorbeelden zijn wormen en eencelligen.
Bij een infectie kunnen een aantal langdurende klachten ontstaan, maar het kan ook zijn dat de klachten zich alleen af en toe voordoen. Voorbeelden van klachten kunnen zijn: buikpijn, buikkrampen, een opgeblazen gevoel, misselijkheid, winderigheid, diarree, verstopping, gewichtsverlies en/of koorts.

Osmosis I Introduction to the immune system

RCSBProteinDataBank I What is a protein?

Cortical Studios / Glow Studio I Our Immune System – Pfizer

Nature video I Immunology wars: A billion antibodies

Nature video I Immunology in the skin

Nature video I Immunology of the Lung

Nature video I Innate lymphoid cells

Bron video’s
Osmosis I Introduction to the immune system I https://youtu.be/Xc_Ljc5ycfM
RCSBProteinDataBank I What is a protein? I https://youtu.be/qBRFIMcxZNM
Cortical Studios / Glow Studio I Our Immune System – Pfizer I https://youtu.be/MI-BLaj5nFk
Nature video I Immunology wars: A billion antibodies I https://youtu.be/Na-Zc-xWCLE
Nature video I Immunology in the skin I https://youtu.be/_VhcZTGv0CU
Nature video I Immunology of the Lung I https://youtu.be /rgphaHmAC_A
Nature video I Innate lymphoid cells I https://youtu.be/CXz6FVqPqHw

Deventer ziekenhuis I Hoe werkt mijn immuunsysteem

Gezondheidsplein TV I Bacteriën en virussen

Bron videos
Deventer ziekenhuis I Hoe werkt mijn immuunsysteem I https://youtu.be/z5Wt5M91BVs
Gezondheidsplein TV I Bacteriën en virussen I https://youtu.be/6SITiyCwfF4

Verantwoordingstekst immuunziekten
De informatie over immuunziekten is algemeen.
Iedere situatie is anders, dus raadpleegt u bij vragen altijd uw huisarts of medisch specialist.

Patiëntvideo’s
De patiëntvideo’s zijn alleen bedoeld voor algemeen informatief gebruik. U moet een gekwalificeerde zorgverlener raadplegen voor professioneel medisch advies, diagnose en behandeling van uw gezondheidsklachten.

Verantwoording teksten
De informatie werd verkregen door de medewerking van artsen, ziekenhuizen, ACR, EULAR en patiëntenorganisaties.

De Caribbean Arthritis Foundation biedt geen medisch advies, diagnose of behandeling!
De inhoud van de website van de Caribbean Arthritis Foundation, zoals tekst, afbeeldingen, afbeeldingen en ander materiaal op de Caribbean Arthritis Foundation Site (‘Inhoud’) zijn alleen bedoeld voor informatieve doeleinden.